Wie het kleine niet eert op de boksvereniging …..

Iedere vereniging is er mee gebaat wanneer er ruimte en tijd voor de jeugd gecreëerd wordt. Niet alleen om de club een zekere waarborg voor de toekomst te geven, maar, zeker zo belangrijk, de jongsten onder ons vertrouwd te maken met, in ons geval, de bokssport. Vooroordelen, die helaas onlosmakelijk met vechtsporten (liever: vechtkunsten) verbonden zijn, kunnen met de juiste begeleiding een heel eind naar het land der fabelen verwezen worden. Daarbij komt dat boksen, door haar veelzijdigheid, uitermate geschikt is voor de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van de kleine pugilisten. Ze kunnen er niet alleen hun energie in kwijt, maar bouwen ook een stukje zelfbewustzijn en zelfvertrouwen op. En, zeker niet ‘t minst belangrijke, hun sociale vaardigheden krijgen een duwtje in de goede richting!

De training van jeugdigen is echter allerminst eenvoudig! Ze bruisen van energie, zijn ondernemend en onderzoekend, weinig bewust van risico’s en vooral: snel afgeleid. Zo hoort ‘t ook, daar zijn ‘t kinderen voor. De taak van de trainer bestaat er mijns inziens dan ook hoofdzakelijk uit om de aandacht gedurende de hele les vast te houden. Hoe? Variëren! Kleine, voor een kind begrijpelijke correcties en aanwijzingen werpen op den duur meer vrucht af dan donderpreken en dat soort dwangmethodes. Duidelijkheid, zonder al te strakke teugels. Te grote leeftijdsverschillen drukken de gemotiveerdheid eveneens. De ‘groteren’ gaan de kar trekken en de kleintjes sneeuwen onder. Ze bungelen achteraan en verliezen al snel hun interesse.

Het rondjes rennen als vorm van warming-up is aan kinderen niet besteed. Het is saai, en laten we eerlijk zijn, kinderen rennnen zo’n beetje de hele dag al omdat hun energievoorraad dat toelaat. Een goede optie is bijvoorbeeld tikkertje. Veel spannender en ‘t dient meerdere doelen. Ze zijn aan ‘t hardlopen en leren spelenderwijs te ontwijken en situaties in te schatten. Door deze spelvorm uit te laten voeren mèt handschoenen, wennen ze tegelijkertijd aan ‘t extra gewicht van dit ‘gereedschap’. Klein stukje krachtsopbouw dus.

Veel meer krachttraining dan bijvoorbeeld klimmen in een wandrek of touw is echter uit den boze. Hun lichaam is ‘geprogrammeerd’ om zich te ontwikkelen in bijvoorbeel lengtegroei. Krachttraining kan dat programma in de war gooien en zoveel afbuigingen in de normale ontwikkeling veroorzaken dat dit tot VERgroeiingen kan leiden. Voorbeelden te over. Topturnsters die al vroeg krachtoefeningen in hun trainingspakket bezigden, bleven klein in lengte, waren gedrongen en hadden te kampen met klachten als gevolg van (vroegtijdige) slijtage.

De meer boksgerichte training liefst alleen op elkaars handschoenen en/of (staande) bokszak. Stickers in verschillende kleuren op de zakken waarbij ze de door de trainer afgeroepen kleur moeten raken maakt ‘t een stuk leuker, vergroot de focus en leert ze op de juiste hoogte te stoten. Sparren is NOT DONE! Hooguit op een speelse manier (schouders aantikken bijv.). Een aandachtspuntje van een andere orde is de alertheid van de trainer op interacties vanuit het publiek. Een overenthousiaste toeschouwer kan de jonge boksertjes danig uit de concentratie halen waarbij de les met regelmaat plat kan lopen te liggen. Een tactisch onderonsje (onder vier ogen, niet waar iedereen bij is) kan de storing naar ieders tevredenheid verhelpen.

Over tevredenheid gesproken. Alle pupillen zijn op hun manier kampioen. En dat mag aan ‘t eind van de training gezegd worden ook! Een leuke les motiveert; niet alleen de deelnemertjes, maar ook hun aanhang, en, niet op de laatste plaats: de trainer.

Go for it,

Geert Gielisen.

PS:

Op een vraag waarom sparren voor de kleine boksers niet gewenst is zou ik het navolgende graag willen toevoegen. In hun opvoeding worden kinderen bijgebracht dat een ander slaan niet de juiste manier is om een meningsverschil kracht bij te zetten of op te lossen. Bij het sparren, waarbij het treffen van de ander één van de doelstellingen is, kan de jeugdige in tweestrijd komen. In hun belevingswereld is sparren immers een vorm van slaan. Vanuit opvoedkundig oogpunt ongewenst; tijdens de training als onderdeel opgenomen. Inzichtelijk kan de pupil (nog) niet het onderscheid tussen ruzie en training maken. Hij/zij moet naar dat stadium toegroeien. Daarom ben ik voorstander om het fundament van het sparren in een spelvorm te gieten (schouders aantikken).

In een latere fase, wanneer de jonge bokser ZELF ‘t onderscheid tussen conflict en sport weet te maken, kan ‘t sparren meer serieuze vormen aan gaan nemen. Voor de trainer(s) de taak weggelegd om met name het sportieve groeiproces d.m.v. observatie scherp te ‘bewaken’ en in goede banen te leiden. Van belang is het tevens om rekening te houden met de persoonlijke eigenschappen van de pupillen. Een te vroege introductie van ‘t sparren leidt tot frustratie en demotivatie, zeker als de leerling wat onzeker of angstig is. Het opbouwen van zelfvertrouwen in een veilige omgeving is dus een eerste vereiste. Daarbij staat de keuze van ‘t kind bovenaan: wel of niet.

Nogmaals: sparren MAG maar MOET NIET! Zo blijft ‘t leuk.