PIERRE DOORENBOSCH EEN BEGRIP IN HET BOKSEN

Rinze van der Meer heeft het leven van Pierre Doorenbosch (3 mei 1918 – 13 mei 1993) in vogelvlucht omschreven. Dit proza toont eens temeer aan hoe rijk aan nostalgie het Nederlandse boksen eigenlijk is. De redactie wil u deze bloemlezing niet onthouden.
Een bokser zuiver statistisch beoordelen is de grootste fout die men kan begaan. Een scala van factoren waaronder tijd, omstandigheden, competitie en nalatenschap, wordt nog wel eens gemakshalve over het hoofd gezien. Om Pierre Doorenbosch recht te doen moeten we nèt iets verder, néé nog al wat verder kijken dan wat, bijv. het incomplete en soms incorrecte BoxRec.com ons wil doen geloven. Pierre, ook een zeer verdienstelijke voetballer, meldde zich in mei 1933 aan bij boksclub van Huub Linders en deed in 1937 voor het eerst aan het NK middengewicht mee. Hoewel bij zijn pogingen t/m 1942 nationale titels uitbleven, groeide hij wel uit tot een onverzettelijk mannetjes putter met “eenen markanten stijl”. Was het in 1937 dat hij ‘struikelde’ over Willie Quentemeijer, in 1938 hield Jan de Pauw (den Haag) hem van de titel af. Bij het uitbreken van de oorlog in 1940 deed Pierre, onder de wapenen, niet mee. Het bericht in het orgaan “Bokssport” dat melding maakte van het overlijden van Pierre Doorenbosch: “Gevallen voor het Vaderland”, sloeg in als een bom. Gelukkig bleek het een pijnlijk misverstand, want vlak er na verscheen hij, hoewel ongetraind, in de ring tegen Jan de Pauw. In 1941 was Pierre er wel weer bij. Nu deed hij een gooi naar de titel in het halfzwaargewicht, maar helaas was nu Rudy Quentemeijer (Willie’s oudere broer) middels een blessure de fortuinlijke winnaar. Hoewel Pierre bij het NK van 1942 in de Amsterdammer Nars Kanon (Amsterdam) zijn meerdere moest erkennen, wist hij zich later wel tegen Willie Quentemeijer te revancheren. Hij zou de bikkelharde Enschedeër later nog 5 maal treffen. Pierre ging niemand uit de weg, ook niet de zwaargewicht kampioen van ’42 de Groninger Jac Nolle. Na aanvankelijk “met handig boksen, snel door de ring, met flitsende uitvallen trachten stooten te plaatsen”, leek het goed uit te pakken, maar “mee vechten” met iemand die maar liefst 16 kilo meer op de schaal bracht, is niet zo handig. Pierre verloor, maar verliezen werd in die dagen gelukkig nog niet ‘dodelijk’ geacht, zolang je er maar wat van opstak en er beter van werd. En Pierre wèrd er beter van.

Nu bijna 71 jaar geleden, maakte hij na 50 (geregistreerde) amateur wedstrijden de overstap naar de profs. Plaats van handeling ‘Casino Schouwburg’ den Bosch. Wie er bij wilde zijn moest minimaal fl 1,75 betalen voor het ‘2e balcon’. In de tijd dat de ‘tientjes’ nog behoorlijk schaars waren (vaak meer dan een half weekloon), zal dat velen weerhouden hebben om dat neer te tellen voor de beste plaatsen: ‘Tooneel Ring’, maar het was wèl uitverkocht. Pierre stelde ze niet teleur. Pierre “had – zo schreef Het Dagblad voor het Zuiden – eigenlijk onafgebroken het initiatief en dat wil wat zeggen tegen een bokser, die over zoveel vuur beschikt als (Cees) Graafland. Telkens weer probeerde de Rotterdammer den aanval over te nemen, maar het lukte dan maar voor korten tijd. Opvallend was het uithoudingsvermogen van den Bosschenaar in deze zijn eerste partij over zes ronden. Hij is stellig een aanwinst voor de middengewichtklasse der beroepsboksers” “Als Graafland het trachtte in het lijf aan lijf de meerdere te blijven, wees hem Doorenbosch met goed aankomende opstooten, die onmiddellijk gevolgd werden door linksche hoeken terug” “Doorenbosch is een bokser die voor het publiek aantrekkelijkheid heeft, door zijn levendigheid en moed” De kop was eraf en er moest nog flink geschaafd worden. Het Bondsblad schrijft: “Het zou hem zelf meer voldoening geven als hij dat vermaledijde hakken kon kwijtraken. Maar Doorenbosch is niet eigenwijs. Hij is zich zijn fout bewust” Hoe dan ook de stormloop op een NK was begonnen. Pierre trainde hard. Doorgaans in den Bosch, maar 2x per week toog hij naar Rotterdam om onder de hoede van Theo Huizenaar te trainen en om tevens ‘wat aan zijn conditie te doen’ ging hij op de fiets……… Een technisch onbeslist en een punten nederlaag tegen Jan de Pauw konden Pierre niet stoppen. Na een ‘gelukkige’ blessure/punten winst op Willie Quentemeijer had hij de eer om op 30 mei 1944 tegen niemand minder dan middengewicht kampioen Luc van Dam aan te treden. Ter illustratie van de krachtverhoudingen: deze van Dam had het jaar ervoor met niet eens zoveel verschil in Hamburg van de Europese Kampioen Middengewicht Jupp Besselmann verloren en met ruim 50 profwedstrijden op zijn naam mocht hij beslist hoger aangeslagen worden dan Pierre die ’slechts’ 15 tegen louter Nederlandse tegenstanders op zijn conduite staat had staan. Helaas de match over 12 ronden werd niet wat men er van verwachtte. Theo Huizenaar laat in de Telegraaf bitter optekenen: “Van Dam bokste tegen Doorenbosch een hopeloozen wedstrijd en hierover was ik zeer teleurgesteld” “Het publiek gaat denken dat wij den boel voor den gek houden” Voorts schrijft de krant: “Luc bepaalde zich er toe, juist zooveel punten te scoren als hij voor een normale overwinning noodig had. Maar was dat niet zijn goed recht? Hij hoefde zichzelf niet te benoemen tot beul over zijn sportkameraad en sparringpartner” Uiteindelijk zou deze discussie, dit conflict uitgroeien tot de breuk tussen van Dam en Huizenaar. Voorlopig stond Pierre 15 maanden niet in de ring. De geallieerden landden in Normandië en de Nederlanders hadden wel wat anders aan hun hoofd: de slag om Arnhem en de hongerwinter stond voor de deur. Nogal wat Nederlanders boksten in Duitsland, maar de ‘samenwerking’ (collaboratie heet dat gewoon) met de Nazi organisatie die dat mogelijk maakte, daar trapte Pierre niet in. De herstart in 1945 kwam wat stroef opgang (verlies en winst tegen de Amsterdammer George Posno), maar begin 1946 liet Pierre een staaltje van zijn kunde zien. De Belgische puncher Léon Fouquet die Luc van Dam juist 6 weken eerder in 5 ronden KO geslagen had, ging tegen Pierre over de volle 10 ronden strijdend te onder. Willie Quentemeijer volgde Pierre’s voorbeeld. Dat winnen in het buitenland ‘lastig’ was, ondervond Pierre in zijn eerste optreden in Antwerpen. Duidelijk winnaar tegen de gerenommeerde Gerard Selhorst, werd hij tóch ‘verliezer gemaakt’ Het zou niet de laatste keer zijn dat Pierre dit overkwam. Helaas koop (letterlijk) je niet veel voor het bijval van de aanwezigen. Ondertussen wilde men in ’s Hertogenbosch Pierre ook wel weer eens in actie zien. Een half jaar na zijn debuut bokste hij voor het laatst in het Casino, maar dat kon omdat de Duitse bezetter de boksverboden hadden opgeheven, anno 1946 was alles helaas weer bij het oude. Gelukkig was burgemeester Loeff een sportliefhebber, werd het verbod opgeheven en kon Pierre, opnieuw in het Casino voorgoed (KO in ronde 7) afrekenen met Jan de Pauw. Na opnieuw een ongelukkige blessure nederlaag tegen Gerrit Lefèbre (Amsterdam) en een paar uiterst nuttige zeges o.a op de veel zwaardere Dorus Elten), mocht Pierre (die inmiddels, na een rotstreek van Huizenaar ook met de Rotterdammer had gebroken) het nog eens proberen tegen Luc van Dam. Mede door een verstuikte enkel van Pierre in ronde 7, trok de Schiedammer ook dit keer aan het langste eind. (van Dam was net gestart met zijn trilogie tegen de latere Cerdan bedwinger de Belg Cyriel Delannoit en 4 maanden later startte hij zijn serie tegen Bep van Klaveren) Inmiddels was Quentemeijer overgegaan naar het halfzwaargewicht, waar hij Jo de Groot (in diens laatste wedstrijd) met inzet van diens Nederlandse titel over 12 ronden versloeg. Voor Pierre het sein om het vizier nu op Quentemeijer en de titel in het halfzwaargewicht te richten. De Enschedeër (wiens broer Hennie net bij het EK in Dublin Kampioen was geworden) was recentelijk wel zwaar KO gegaan tegen Freddie Mills (de Brit zou 1½ jaar later wereldkampioen worden), maar dat speelde geen rol: Pierre raakte niet voor eerste en helaas ook niet voor de laatste keer snel geblesseerd. Nadat de verwondingen voldoende geheeld waren, bokste Pierre zich met een klinkende zege op de Groninger Douwe Bakker in de kijker. De geplande revanche met Quentemeijer kon echter niet plaatsvinden, want de Twent was voor 11 maanden ‘op tournee’ in Zuid Afrika. De gages lagen daar veel hoger dan in Nederland, maar zijn afwezigheid kostte hem wel de Nederlandse titel en die werd nu aan Doorenbosch toegekend. Een uitdager was er ook al: Gerrit Lefèbre. Nu had Pierre de Amsterdammer als amateur al eens geklopt en als prof zelfs door opgave en op KO, maar in hun laatste ontmoeting verloor Pierre op blessure en dat gebeurde helaas nu ook en wel al in de 2e ronde. Voor een herstart nam Pierre de tijd: tien maanden later heroverde hij op Lefèbre ‘zijn’ titel en sloot met 2 overwinningen op Quentemeijer dat hoofdstuk voorlopig af. Dat de vaderlandse competitie destijds op een hoog niveau stond bewijst wel het feit dat er ook al een nieuwe uitdager klaarstond: Willy Schagen. Schagen (3e bij het EK in Oslo van 1949), geen knokker maar een zeer snelle technische bokser, ontnam Pierre in maart 1950 de titel na 12 ronden waarin Pierre niet goed uit de verf kwam. Vragen rond de gang van zake (Pierre kon geen goed doen in de ogen van scheidsrechter Bergström) mocht hij na o.a nog maar eens een puntenzege op Willie Quentemeijer, in een revanche tegen Schagen trachten te beantwoorden c.q. rechtzetten. De Amsterdammer een van de kundigste boksers van vlak na de oorlog, liet echter nu geen ruimte voor discussie (8 maanden later bokste Schagen voor de vacante Europese titel tegen de Duitser Conny Rux) In de volgende wedstrijden van Pierre zat het hem gewoon niet mee. Na 13 maanden afwezigheid boekte hij nog een zege in België en toonde hij zich nog wel de betere tegen Toni Gruber in de fameuze Berliner Waldbühne, maar meer dan een onbeslist kreeg hij niet. “Hier werd te kort gedaan” schreef de krant na de wedstrijd tegen Heinz Sänger in Keulen. Het publiek protesteerde hevig, maar dat veranderde niets aan de uitslag. Na aanvankelijk “uitstekende linksen, twee keer gevolgd door een harde rechtse geïncasseerd te hebben, bokste Pierre een min of meer gelijk opgaande partij” tegen de Belg Marcel Limage (EK Milaan Velodromo Vigorelli 1951) werd wederom zijn (linker) wenkbrauw, net als 2 maanden later tegen Jean Corhay, zijn achilles hiel. Dat Pierre Doorenbosch zich kundig verdedigde tegen deze zorgvuldig opgebouwde Belgen met klinkende records, was niet voldoende. Naar later bleek waren dat zijn laatste optredens in de ring, want 2 maanden later kreeg Pierre géén toestemming om in Berlijn uit te komen tegen Willie Besmanoff. De Duitser had met KO van Willy Schagen gewonnen en met de ‘vervanger’ van Pierre, de Luxemburger Jean Serres (de vader van Rudi Koopmans uitdager Fred Serres) ging het al niet beter. Niet minder dan 5 maal ‘neer’, een gebroken kaak en TKO in de 5e ronde. Hoewel de weigering vooraf zwaar bekritiseerd werd, achteraf bleek het een juiste beslissing. Geld maakt niet alles goed. Het doek als actief bokser viel definitief toen Pierre bij een verbouwing in zijn café ook nog eens zijn hand zwaar blesseerde.
Voor Pierre Doorenbosch geen ‘zwart gat’. Vanaf febr. 1946 was hij het centrale middelpunt in zijn café “de Poort van Kleef”, vlak bij de basiliek St. Jan. Café houder, dat zat de Doorenboschen in het bloed. Vader Doorenbosch zwaaide reeds jaren de scepter in “de Drie Hamerkens” en zuster Annie runde jaren “de Blauwe Druif” aan de markt. Ter completering: broer Hendrik was de eerste motor- en autorijschoolhouder in den Bosch. Nu waren cafés in die tijd van een heel ander slag als nu. In “de Poort van Kleef” was huiselijke gezelligheid troef. Pierre trof er iedereen die hem maar wilde ontmoeten. Het was een soort centrum dat meer en meer de spil werd waar het in sportminnend den Bosch om draaide. Pierre begon er zijn boksschool en niet zonder succes. Hij gaf er de eerste lessen aan zijn zoon Pierre jr. (5x NK in het lichtgew. en 2x EK deelnemer uitgeschakeld door o.a. Olympisch Kampioen en latere EK de Pool Józef Grudzién) Vooral in de begin jaren toen zelfwerkzaamheid en spaarzaamheid nog deugden waren, maakte Pierre vrijwel alles wat nodig was in zijn school zelf: o.a. Handschoenen, Boksballen en stootzakken. Later opende Pierre aan de Aartshertogenlaan het goed geoutilleerde trainingslokaal van ‘zijn’ Bossche Pugilisten Vereniging, in
de 70er jaren om benoemd tot Bossche Boksschool Doorenbosch. Pierre zou er ruim 25 jaar vele recreanten, aspiranten omvormen tot kampioenen: middengewicht Tommy Netten was in 1965 de eerste en 3 jaar later behaalde Netten het NK in het halfzwaargew. Dan waren er Tonny Deckers (2x NK lichtweltergew.), Jo van den Broek (4x NK middengew. en 2x EK deelnemer), zijn directe opvolger Kobus Schmidt (2x NK middengew.), John Emmen (NK halfzwaargew. Die 2 in het super-zwaargew. werden behaald onder leiding van de zeer kundige Jo van de Broek) Eric Huigevoort (2x NK lichtweltergew. en EK deelnemer) en Piet Xhofleer (NK lichtgew.) Dan zijn er tallozen die het (net) niet haalden o.a. zoon Jan Doorenbosch (weltergew. Die tot april 1997 in Flashgym opereerde), Reggie Siwaletti (zw. weltergew.) en dan was er (zwaar)weltergewicht Hendrikus Frederikus Mandemaker. Juist die! Hij kweekt al jaren zelfstandig kampioenen. In de 70er en 80er jaren trainde Pierre als Bondstrainer vele malen de Nationale Selectie, begeleide Nederlandse teams naar het buitenland. Tot in de begin jaren 90 was Pierre actief, want hij was de belichaming van de ouderwetse bokstrainer/leraar (ook in levenslessen), die met een mix van gemoedelijkheid en overwicht de touwtjes (toch) in de handen hield. Op zijn 75e verjaardag was hij 60 jaar Bondslid. Maar Pierre was al ernstig ziek. Begin 1993 werd hij, ruim aan de late kant, benoemd tot Bondsridder. Slechts een ging hem hierin voor: Theo Huizenaar. Ziek als hij was, zijn wilskracht hield hem in leven. De 3e generatie Doorenbosch: Han NK weltergew. bij de junioren, deed in 1993 mee aan het WK in Finland. De prestaties van deze kleinzoon hielden tot op het laatst Opa scherp, die zijn laatste strijd pas opgaf na Han’s uitschakeling. Pierre Doorenbosch overleed 10 dagen na zijn 75e verjaardag.