Het afscheid van bokstrainer en dichter Wim de Haan

Nog een keer wordt stilgestaan bij het overlijden van bokstrainer en dichter Wim de Haan dankzij een memorabele bijdrage van Richard Brand, een van zijn oud-pupillen.

Wim de Haan

Bokstrainer en dichter, Wim de Haan, is vorige week vrijdag op zevenentachtig jarige leeftijd overleden. Afgelopen donderdag was de crematie. Samen met mijn broer ging ik erheen, ook hij heeft jarenlang bij de Haan gebokst. Er waren veel oude bekenden aanwezig, oud boksers, soms zelfs zo oud geworden dat ik ze bijna niet meer herkende, maar dat zal andersom niet anders zijn geweest. In een aparte ruimte mochten we even in de kist kijken, een laatste blik op de vriend en trainer, de man die voor velen als een vader is geweest. Daarna droegen we hem met een aantal mannen de aula binnen. Er stond een foto van hem en een van de boksschool. Het bleek dat Wim de Haan de uitvaart tot in de puntjes had voorbereid. Vanaf een bandopname droeg hij een gedicht voor uit eigen werk. Zijn heldere stem sprak voor de allerlaatste keer tot ons. Een afscheidsgedicht. Daarna volde zijn favoriete Fadomuziek.

De stem van de Fadozangeres klonk melancholiek door de aula, zoals die muziek vast is bedoeld, en mijn gedachten dwaalden af naar een week of vier daarvoor. Voordat ik bij Wim langsging, liep ik even binnen bij de slijter op de Hoogstraat in Schiedam. Ik wilde niet met lege handen aankomen. ‘Weet u misschien wat Wim de Haan drinkt?’ had ik aan de dame achter de balie gevraagd. ‘Nee, eigenlijk niet, maar een rode wijn is altijd goed….’ zei ze. ‘Ik heb hem trouwens al een tijdje niet voorbij zien lopen, hij is een beetje uit het straatbeeld verdwenen.’

Op het moment dat ik de boksschool binnenkwam, was hij met een training bezig. Hij stond aan de ring, twee mannen waren aan het sparren. ‘Ik heb een flesje rood voor je meegenomen’, zei ik, en zette de fles op de grond naast de ring. Het sparren stopte niet veel later. Wim trok de mannen de handschoenen uit en die begonnen met de indoortraining. Ik keek door de zaal, naar de stootzakken, de posters, spiegels, de ringtouwen, de houten vloer waarop ik me zo vaak had afgebeuld. Ooit was ik hier binnengelopen en leerde mijn eerste stootjes, leerde me te verdedigen, vechten, incasseren. ‘Hou die handjes hoog. Kin op de borst. Laat maar lopen die linkse… Midden van de ring houden, en blijven kijken. Eerst opzij, dan reageren …’ Het waren lessen die je nooit meer vergat, die onverwachts bovenkwamen als je ze nodig had. In het echte leven, buiten de school, juist daar bleken die lessen goed van pas te komen. Ik keek naar Wim, hoe hij stond te praten. Naar de lichte stoppels, de knokkelige handen, pigmentvlekken, de nimmer zwijgende mond. De mond die er altijd was om je ongevraagd toe te spreken, dingen uit te leggen waaraan je niet eens aan had durven denken. En natuurlijk realiseerde ik me wel dat elk bezoek het laatste kon zijn, zeker nu ik hier niet meer zo vaak kwam. Toch zeker weten doe je het nooit. Daar had ik me wel vaker in vergist. We liepen samen door de school, Wim voorop. Naar de kleine kantine, het barretje, de foto’s en krantenknipsels aan de muren. Laconiek wees hij op een foto waarop hij met een oud burgermeester stond afgebeeld, hij maakte een grapje. ‘Ach,’ mompelde hij en slenterde naar de tafel bij het raam. Daar lag een dik fotoboek waar hij doorheen begon te bladeren. Ingeplakte oude krantenknipsels: Wim op een spijkerbed, een knipsel over een wedstrijd van mijn broer, en vele andere wedstrijden en gebeurtenissen kwamen voorbij. Normaal gesproken kon Wim erover blijven praten, alles diende als spraakstof, nu keek hij dromerig naar het boek en sloot het. ‘Ach,’ maar weer. Daarop volgde ik hem naar de ruimte ernaast, ingericht als een klein museum. Schilderijen die hij zelf eens had gemaakt hingen aan de muren, stonden rechtop tegen het raam, het raam dat uitzicht biedt op de Lange haven. Er lag een gedichtenbundel met een papiertje ernaast, er stond op geschreven: Laatste exemplaar, 5 euro. ‘Deze hier is volgens een kenner al behoorlijk wat waard,’ zei hij, en wees naar een schilderij waar een geboetseerde hand uitstak, weinig enthousiasme klonk door in zijn stem. Alsof het een schilderij betrof dat niet van hem was, of hij slechts een toeschouwer was, niet de maker. ‘Wat zie jij in deze?’ vroeg hij wijzend naar een ander werk. Ik keek naar een abstract schilderij dat aan een touwtje hing, trok mijn schouders op. ‘Van de geboorte naar de dood’, legde hij kort uit, met zijn gekromde vinger bij het doek. En we verlieten het kleine museum.

We namen de trap naar de bovenwoning. Daar zat Tiny op de bank. ‘Ha Richard!’ begroette ze me, daarop staarde ze voor zich uit. Wim vertelde over haar ziekte – Tiny zweeg. Opeens vroeg ze, alsof ze nu haar kans greep: ‘Hoe gaat het met de kleine, en die van je broer?’ Ze noemde de namen van de kinderen en wist zelfs de leeftijden. Daarna vertelde ik dat we onlangs naar Drenthe waren verhuisd, vanwege mijn vrouw. Wim keek naar de vloer, en zei: ‘Heimwee moet je niet onderschatten …’

Nadat ik had aangegeven weer eens te moeten gaan, is Wim met me mee gelopen, zoals hij altijd deed, langs de smalle draaitrap naar beneden. Om de buitendeur af te sluiten. ‘Ik kom weer eens langs,’ zei ik. Wim knikte dat het goed was.

In een rij liepen nu de mensen langs de kist. Enkelen omhelsden Tiny, die maar niet kon stoppen met huilen. De Fadomuziek was inmiddels opgehouden, maar klonk nog altijd door in mijn hoofd. Het mediterrane gevoel, de melancholische klanken.

Eenmaal thuis heb ik willekeurige Fadomuziek opgezet. En een bruin biertje genomen. Ik keek naar buiten en dacht aan de bokstrainer Wim de Haan. Hoe hij wandelde door de straten van Schiedam, met zijn pet en zijn lange jas. Hoe hij kon vertellen, kon amuseren. Hoe hij binnenliet en verjaagde. Hoe hij kon knokken voor zijn bestaan. Hoe hij liefhad. Hoe hij kon raken.

Richard Brand

 

2 antwoorden

Reacties zijn gesloten.