Enrico Lacruz  ,,Ik droom niet meer. Ik heb een doel’’

Door Jeroen Baldwin

Lacruz (23) is geboren in Arnhem en nu alweer zo’n 10 jaar woonachtig in het landelijke Huissen. Hij heeft een tweelingzus genaamd Tierra en een oudere broer die de naam Ferrero draagt. Alle drie zijn ze opgeleid in pedagogisch werk. Tierra en Ferrero zijn ook in die branche actief. Vader Edison werkt eveneens in de ‘zachte sector’, als gezinsvoogd. Moeder Marianne is werkzaam in de verzekeringswereld. “Het lijkt me leuk om in die sector te gaan werken, ooit”, zegt Lacruz. “Maar voorlopig richt ik me volledig op het boksen. Ik ken mezelf: ik kan die twee dingen niet combineren.”

 

Boksen was niet Lacruz’ eerste sport. “Nee, ik heb eerst een hele poos gebasketbald en dat vond ik op zich best leuk. Ferrero deed aan kickboksen. Hij werd getraind door Fred Royers, ook de trainer van wereldkampioene Jemyma Betrian. Ferrero was daar heel enthousiast over en op een mooie dag – ik was al 13 toen – besloot ik eens met hem mee te gaan om te kijken hoe het nou was. Van dat kickboksen kreeg ik het niet te pakken, maar er werden ook bokslessen gegeven en dat vond ik wél erg gaaf. Ik besloot die lessen te gaan volgen en werd al snel dolenthousiast. Ik ging me in de sport verdiepen en bekeek honderden, zo niet duizenden fimpjes op youtube. Toen ik beelden zag van bokswedstrijden op de Olympische Spelen wist ik het zeker: daar moet ik ooit staan!”

 

Het lijkt er sterk op dat Lacruz werd gegrepen door de romantiek van het boksen. Zoals alle huidige vijftigers en zestigers die begin jaren zeventig met hun vaders midden in de nacht voor de buis gingen zitten om wedstrijden van Muhamad Ali, George Foreman en Joe Frazier te bekijken. Lacruz schiet in de lach. “Ooooh ja, dat hoor ik zo vaak hè! Ik vind het gewoon jammer dat ik dat niet heb meegemaakt, want het moet wel heel bijzonder zijn geweest. Daar ben ik helaas niet mee opgevoed. Ik kreeg alleen maar te horen dat boksen een wereld was van criminelen en tuig. Dat vond ik erg jammer om te horen, maar ik trok me er niks van aan. Boksen was mijn sport! En van die boefjes en criminelen heb ik weinig gemerkt. Ik ken er niet één.”

 

Het heeft er veel van weg dat de mensen die boksen een tijd lang een slechte naam gaven inmiddels zijn overgestapt op een andere tak van sport. Boksen raakte uit, kickboksen, muay thai, MMA, UFC, cagefighting en was dies meer zij, raakte in zwang. De bokssport verloor de afgelopen twee decennia veel actieve sporters én passieve volgelingen. “Dat UFC vind ik nog wel iets hebben”, zegt Lacruz. “Nu met die Conan McGregor die ineens zo populair is, dat vind ik wel grappig. Elke jonge gast over de hele wereld kent hem nu, dat is toch wel bijzonder. Hij is wel een echte sportman, hoor.”

 

Dat de opkomst van die andere takken van vechtsport ten koste gingen van het boksen is enerzijds jammer, maar aan de andere kant biedt het óók kansen om het boksen juist nu uit het verdomhoekje te halen en te promoten als een sport voor iedereen. “Klopt”, knikt Lacruz. “Boksen is nu een superkleine sport in Nederland, dat is jammer. Maar het is wel een van de oudste sporten ter wereld, de moeder van alle vechtsporten. Maar inderdaad, het boksen heeft een slechte naam gekregen en daar kunnen we nu wat aan gaan veranderen! Ik werk daar graag aan mee. Maar weet je wat het is? Mensen willen tegenwoordig sensatie! Ze willen bloed zien! Vandaar dat een sport als UFC zo hard groeit. Daar mag alles, zelfs op iemand doorrossen die al op de grond ligt. Of jongens die het stempel ‘badass’ hebben, dat vinden mensen leuk tegenwoordig. Kijk naar Badr Hari. Dat soort sporters komt in het nieuws! Een raar mechanisme is dat toch eigenlijk. Daarmee vergeleken is boksen eigenlijk een heel nette sport, haha. Terwijl het zo’n slechte naam had! Boksen is braaf geworden!”

 

Waar het gaat over boksen als TV-sport, dan hebben de mensen die ‘bloed aan de paal’ willen, misschien wel gelijk. Boksen is, net als veel andere sporten – voetballen, wielrennen, basketbal en honkbal bijvoorbeeld – heel erg tactisch geworden. Er wordt veel gerekend in plaats van vol gas te geven. Zelf kijk ik het liefst naar Mexicanen in het bantam-gewicht, zeg ik altijd. Die gaan er gewoon voor. Niks om de tegenstander heen draaien en vooral bezig zijn met ontwijken, nee ze zoeken de aanval! Vergelijk het met Max Verstappen in de Formule 1. Max rijdt voor wat hij waard is en doet dingen die de gevestigde orde niet doet! Hij neemt risico’s en dúrft op het randje te rijden. Juist dat gegeven maakt hem zo populair. Aan de andere kant: buiten het racen is het een hele nette kerel die nooit negatief in het nieuws komt. Het kán dus wel!

 

Lacruz knikt begrijpend. “Of wat denk je van die Tyson Fury? Die komt ook vooral in het nieuws door al zijn uitspraken en uitspattingen. Knotsgek is hij! Heel anders dan die Klitschko-broertjes, die zijn veel serieuzer. Alle drie zijn het toppers, maar die Fury is het meest in het nieuws. Zo gaat dat tegenwoordig.  Ergens snap ik het wel. Neem zo’n wedstrijd als tussen Manny Pacquiao en Floyd Mayweather. Daar was iedereen maanden mee bezig, maar uiteindelijk was het een vrij saaie pot boksen. Maar goed, als bokser wil je technisch en tactisch gewoon een topprestatie leveren. En niet te veel klappen krijgen natuurlijk.”

 

“Helemaal in Nederland willen we graag heel ‘clean’ boksen”, gaat Lacruz verder. “Technisch perfect. Dat is in alle sporten zo hier. Op zich is dat goed, maar het spreekt niet tot de verbeelding bij de massa. De landsaard en de omstandigheden zijn hier natuurlijk ook heel anders. Als ik kijk hoe het eraan toe gaat in Mexico of Cuba bijvoorbeeld. Daar staan hele families om de ring heen om hun zoon, broer of buurjongen aan te moedigen. Van kleins af aan al. En die jongen gaat er dan ook vol op ook. Maar daar is sport een uitweg, denk ik. Een mogelijkheid om de ‘barrio’ (de sloppenwijk, red.) te verlaten. Dat is heel anders dan hier natuurlijk. En dat zie je terug in de sportbeleving.”

 

Maar hoe gaat dat dan als jij de ring in stapt? Moet je dan je tegenstander haten om goed te boksen? Om wedstrijden te winnen?

 

“Nee, dat hoeft niet. Ik haat mijn tegenstander niet. Ik heb respect voor hem. Ik denk wel: ik ga jouw klapjes geven, vriend. Maar haten hoeft niet.”

 

Ben je een tactische bokser?

 

“Niet per definitie, denk ik. Ik kan vooruit boksen, aanvallen dus, maar ook achteruit boksen, verdedigen. Het hangt van de tegenstander af. Je weegt je kansen tijdens het begin van de wedstrijd en kiest dan voor je tactiek. Een beetje tactiek komt er altijd wel bij kijken, want anders ben je sowieso kansloos.”

 

Hoe zit dat eigenlijk met je gewichtsklasse? Klopt het dat je pas heel laat in de categorie tot 60 kilo bent terecht gekomen?

 

“Ja dat klopt. Ik Ben pas in 2015 overgestapt naar de klasse tot 60 kilo. Daarvoor zat ik altijd in de klasse tot 56 kilo, maar dat trok ik echt niet meer. Op zich is het een risico om zo’n overstap zo kort voor een Olympisch toernooi te maken, maar ik kon niet anders. Het ging gewoon echt niet meer. Het vasthouden aan mijn gewicht maakte me geen vrolijker mens. Ik werd er echt chagrijnig van. Dan woog ik 61 kilo en wist ik dat ik voor een wedstrijd terug moest naar 56 kilo. Dat was gewoon niet meer te doen op een gegeven moment. Ik kon niet meer eten, niet meer drinken, moest vooral trainen om gewicht te verliezen en ja, dan ben je het paard achter de wagen aan het spannen. Ik had geen plezier meer in het boksen en was niet te genieten voor mijn omgeving. Stond ik op de weegschaal en wees die uit 6o kilo. Moesten er vier kilo van af! Dan dacht ik ‘hoe ga ik dat doen? Want ik wás al afgetraind hè! Dan trainde ik een week hard en dacht ik dat ik goed bezig was. Ging ik op de weegschaal staan: 59. Jeeemig, dan kom je even in een dal, hoor! Dus toen hebben we de gok toch maar gewaagd, Henny en ik. Gelukkig pakte het goed uit. Ik kreeg natuurlijk ineens allemaal nieuwe tegenstanders, maar de eerste vier, vijf wedstrijden won ik en dat gaf veel vertrouwen. Het bleek een goede stap. Deze categorie past nu bij me, dat is nu wel duidelijk.”

 

Hoe ziet een week van jou eruit?

 

“Haha, eigenlijk vrij saai. Trainen, eten, slapen, daar komt het wel op neer. Natuurlijk ga ik ook wel eens naar een feestje, of pak een bioscoopje, maar over het algemeen heb ik een heel vast ritme van tranen, eten, slapen. Qua eten en drinken houd ik ook een vast stramien aan, maar ik heb geen heel erg uitgebalanceerd dieet. Ik heb een tijd lang met een diëtiste gewerkt en daarvan heb ik veel geleerd. Ik voel nu heel goed aan wat ik wel en wat ik niet moet eten of drinken en wat ik wel en niet kan doen. De boog staat daarbij niet altijd gespannen, hoor. Je moet ook een beetje kunnen leven. Alleen, zoals mijn leeftijdsgenoten op stap, drinken en eten wat ze willen en hoeveel ze willen, dat kan natuurlijk niet. Maar dat vind ik niet erg, hoor. Ik weet waarvoor ik het doe en daar voel ik me goed bij.”

 

En het trainen, waar bestaat dat zoal uit?

 

“Veel conditietraining natuurlijk, maar richting een wedstrijd of toernooi ga je echt opbouwen. Dan ga je steeds meer technisch trainen, schaduwboksen en sparren. Echt wedstrijdsparren doe ik pas een week voor een wedstrijd. Maar het is vrij gevarieerd. Conditietrainingen, zwemtrainingen, krachttrainingen en bokstrainingen. Maar dat bedenkt mijn trainer allemaal.”

 

De magie van de Spelen

 

Enrico Lacruz bereikte ook al ‘de grote massa’. Door zijn deelname aan de Olympische Spelen. ‘Heel Nederland’ zat gekluisterd aan de buis bij zijn wedstrijden in Rio de Janeiro, zoals alle Nederlandsen afgevaardigden in andere takken van sport nadrukkelijk gevolgd werden. Het is de ‘magie’ van de Spelen. Dat hij daar afgelopen zomer stond, was een droom die uitkwam voor Lacruz.

 

“Ik vertelde al dat toen ik met boksen begon, ik direct een doel had: de Olympische Spelen halen. Ik richtte me ook direct op 2016, maar ik wist toen natuurlijk nog niet dat ik het zou kunnen halen. Het was een droom, nog geen serieus doel. Dat werd het wél toen ik in 2011 tijdens een Europees Kampioenschap voor jeugdboksers in de top-5 kwam en even later mijn eerste toernooi won in Duitsland bij de elite. De volwassenen dus. Vanaf dat moment geloofde ik erin dat ik de Olympische Spelen zou gaan halen.”

 

De weg naar Rio de Janeiro was echter nog lang en – zo bleek gaandeweg – vol hobbels. “Ik heb periodes gehad dat ik dacht dat i er helemaal niks van kon. Zo raar. Verloor ik ineens wedstrijden die ik had moeten winnen en bokste ik een maand later ineens weer de sterren van de hemel. Het ging een tijd lang heel erg op en neer met meer downs dan ups.

 

In juni/juli van dit jaar werd Lacruz kampioen tijdens wereld Olympisch Kwalificatie Toernooi, waardoor hij zich uiteindelijk plaatste voor de Olympische Spelen van 2016 in Rio de Janeiro. Even eerder had hij het nog laten liggen tijdens een Europees Olympisch Kwalificatie Toernooi. “Toen had ik mezelf eigenlijk al moeten plaatsen voor de Spelen. Dat lukte niet omdat ik al in de eerste ronde verloor van de Italiaan Domenico Valentino. Dat was heel onverwacht, want ik had best een goede partij gebokst. Maar de jury besliste anders, tot verbazing van mijn coach, maar ook wel van Valentino zelf. Ook het publiek floot de jury uit. Op dat moment zat ik even helemaal kapot. Dacht ik dat mijn kansen op Rio verkeken waren. Ik had nog één kans, op dat mondiale kwalificatietoernooi in Azerbeidjan, in de maanden juni/juli. Dan moest ik bij de eerste vijf komen en dan werd ik nog een ‘bespreekgeval’ bij het NOC/NSF. Dat wist ik, want alleen als ik me in de medailles had gebokst tijdens dat EK, was ik zeker geweest van een ticket. Ik stond dus voor een loodzware uitdaging.”

 

Twee maanden de tijd had Lacruz om zich over de teleurstelling heen te zetten en nieuwe moed te vinden voor het sterk bezette toernooi in Azerbeidjan. “Mijn vriendin Laura, mijn familie en mij coach hebben me toen het vertrouwen gegeven om er toch weer in te gaan geloven. En wat in Turkije tijdens het EK niet lukte, gebeurde nu wel. Ik won mijn eerste wedstrijd en dat gaf me kracht. Ik won mijn tweede en voelde me nog sterker. En zo verder. Met de wedstrijd werd ik zelfverzekerder. Ik kwam in een soort van trance terecht, een gevoel van ‘dit gaat me lukken’, een enorme focus. Dat gevoel had ik nog nooit gehad.”

 

Het ‘geval-Lacruz’ werd besproken door het NOC/NSF en besloten werd om hem de kans te geven in Rio. “Alhoewel ik het gevoel had dat ik zou gaan, was het toch nog spannend natuurlijk, want je hebt het niet in eigen hand. Ik weet nog waar ik stond toen ik het hoorde van Peter Bonthuis, de directeur van de Nederlandse Boksbond. Hier, op de drempel (wijst op de schuifpui). Ik was uitzinnig! Daarna hadden we iets van twee weken om ons voor te bereiden op vertrek. Ik deed nog een trainingskamp in Duitsland  en toen stapten we op het vliegtuig richting Brazilië.”

 

In Rio werd Lacruz uitgeschakeld in de achtste finales tegen de Mongoliër Otgondalai Dorjnyambuu. “Dat was jammer. Niet nodig ook. Het was eigenlijk allemaal heel gewoon. De voorbereiding op een wedstrijd, de warming-up, alles. Maar toch, als je dan die tunnel doorloopt op weg naar de ring, dan gebeurt er iets met je. Iets ongrijpbaars. Je ziet de ring met de Olympische ringen… Ik kan niet omschrijven wat ik toen voor gevoel had. Heel gek. De eerste partij ging vrij moeizaam. Tegen een Taiwanees die ik in Azerbeidjan met veel meer gemak had verslagen. Ik won nu ook, maar het was op het randje. In de tweede wedstrijd moest ik tegen de nummer twee van de wereld, maar ik had ook hem al eens verslagen. Nu verloor ik, ook al was het nipt. Als er één jurylid meer voor mij had gekozen, dan had ik gewonnen. Nu niet en dat was pijnlijk.  Toen was het plotseling over. Zo ineens. Vijf jaar lang ben je ermee bezig geweest en ineens was het voorbij. Heel gek. Achteraf had er meer in gezeten, denk ik. Ik had er meer van moeten genieten, maar ik beleefde alles in een roes. In mijn herinnering is de periode in Rio een flits, zo snel ging het allemaal. Nou ja, het was weer een goede leerschool. De volgende keer weet ik wat me te wachten staat en dat zal me zeker helpen om verder te komen.”

 

Na een vakantie op Curaçao, het geboorte-eiland van zijn vader, nam Lacruz eind september alweer deel aan een toernooi in Duitsland. “Daar won ik en dat gaf een goed gevoel. Vaak zie je dat het voor sporters moeilijk is om zich op te laden na zoiets groots als de Olympische Spelen, maar blijkbaar had ik het allemaal goed verwerkt en stond ik er weer.”

Zo ook op het Nederlands Kampioenschap in Rotterdam, in oktober. “Daar wilde ik ook wat laten zien. Ik wilde per se de titel pakken en dat lukte. Nu ga ik voor een zege op het Kerstgala en dan ga ik me voorbereiden op het Europees kampioenschap van begin volgend jaar. Daar wil ik een medaille pakken. Het liefst goud natuurlijk. Niet alleen voor mijn eergevoel, maar ook om de Olympische A-status terug te krijgen. Die heb ik verloren in Rio doordat ik niet bij de eerste drie kwam. Ik wil die status terug en hem dan vasthouden tot de Spelen van Tokio. Ik wil me  nu niet op het laatste moment kwalificeren, maar gewoon presteren op EK’s en WK’s, het liefst gouden medailles pakken, om me zo direct te kwalificeren voor Tokio 2020. Want daar moet het gaan gebeuren. Dat is geen droom meer, dat is een doel.”

2 antwoorden
  1. Clemens musters
    Clemens musters zegt:

    n mooi interview Rico. En je hebt n goede keuze gemaakt. En het boksen is n fatsoenlijke sport en met n normaal publiek en niet zo als vorige week te zien was in duitsland. Succes hoor

Reacties zijn gesloten.